stap 4: van automatisch naar handmatig fotograferen in 6 stappen

In de vorige les heb je geoefend met het diafragma, waarbij de camera in de A-stand staat, diafragma-voorkeur stand.
Samengevat heb je het volgende geleerd:
Bij een groot diafragma (klein f-getal) valt er veel licht door de lens op de sensor. Bij een klein diafragma (groot f-getal) valt er weinig licht door de lens op de sensor.
Je zou dus heel simpel kunnen denken: als ik veel licht nodig heb (bijv. wanneer het onderwerp te donker is, of als de ruimte waarin je fotografeert donker is), dan zet ik het diafragma zo ver mogelijk open en als ik weinig licht nodig heb, omdat de omgeving of het onderwerp al licht is, dan draai ik het diafragma zo ver mogelijk dicht.
Ik heb je met de vorige opdracht willen laten zien dat het verhaal iets ingewikkelder ligt.
Je kunt het diafragma wel ver open draaien, omdat je meer licht op de sensor wilt, maar een bijkomend gegeven is dan wel dat je een geringe scherptediepte krijgt. Datgene waarop je scherp gesteld hebt, is dan scherp, maar naar de voorgrond en achtergrond toe wordt het onscherp. Misschien wil je dit effect wel helemaal niet, denk bijv. aan het fotograferen van landschappen, daar wil je alles van voor- tot achtergrond scherp hebben.
Je kunt het diafragma bij landschappen wel ver dicht draaien (minimaal f 11), alles zal dan scherp zijn, van voor- tot achtergrond, maar bij een klein diafragma valt er wel weinig licht door de lens op de sensor. Je zult dan lange sluitertijden krijgen, waardoor de kans op beweging weer heel groot is.

Om dit verder te oefenen, laten we in deze stap de camera nog steeds op stand A staan. Jij bepaalt het diafragma, de camera bepaalt daarbij de bijbehorende sluitertijd en ISO.

Opdracht:
– maak een aantal portretten (van een persoon of dier) met een onscherpe achtergrond. Laat hiervoor de camera dus in stand A staan, zet de ISO op 400 en zorg voor een groot gat in je lens, dus een groot diafragma (klein getal). Spelen met je diafragma doe je door aan het wieltje achterop je camera te draaien.
Hierbij leer ik je nog 2 nieuwe dingen. Een onscherpe achtergrond krijg je dus door een groot diafragma te gebruiken. De fysieke afstand is ook nog bepalend voor de scherptediepte. Hoe dichter je op je onderwerp staat, hoe onscherper de achtergrond. Ook de mate van inzoomen bepaalt de scherptediepte. Hoe meer je inzoomt, hoe onscherper de achtergrond. Deze dingen kun je dus ook nog gebruiken bij deze opdracht: gebruik een groot diafragma, ga dicht bij je onderwerp staan en zoom zoveel mogelijk in.

portret onscherpe achtergrond

– fotografeer een landschap met een klein diafragma (bijv. f 11). Stel in het midden scherp en probeer een foto te maken die van voor tot achter scherp is.

natuurfotografie-bollenveld-moederdag

Om bovenstaande opdrachten goed te kunnen uitvoeren ga ik je in deze les de werking van nog een aantal knopjes uitleggen.

Ik probeer je met behulp van deze lessen van de automatische stand van je camera af te krijgen. We fotograferen dus niet meer in de automatische stand. In de eerste lessen fotografeerde je met je camera in stand P (ook een automaat) en nu fotograferen we met de camera in stand A (een halfautomaat).
Op de zijkant van je lens zit ook een knopje / schuifje met de letters A en M (of AF en MF). Deze letters staan voor autofocus en manualfocus.

autofocus lens

Dit is de knop voor het scherpstellen van je lens. Bij bovenstaande opdracht moet je dus je lens scherpstellen op je onderwerp (bij een portret van mens of dier probeer je altijd op het dichtstbijzijnde oog scherp te stellen, bij een landschap op iets interessants op de voorgrond of op het midden).
In 80 % van de gevallen kan je het schuifje op AF laten staan, de lens stelt automatisch scherp. Soms lukt het een lens niet om zelf scherp te stellen op een onderwerp.
Neem bijvoorbeeld onderstaande foto van een spin.

macro spin

Deze spin hing tussen de bladeren van de heg in mijn poort. De spin was zo klein dat de camera niet wist waar hij op scherp moest stellen, de spin of de blaadjes. De lens bleef in en uitzoomen en raakte de kluts kwijt. In dit geval heb ik het schuifje op MF gezet en door aan de buitenste ring op je lens te draaien kun je dan handmatig op de spin scherpstellen.
Hetzelfde geldt voor als het buiten donker is. De automaat in je lens ziet dan te weinig waarop hij kan scherpstellen, dan zul je handmatig op een punt moeten scherpstellen. Meestal voldoet echter de automaat van je lens en zul je het schuifje op AF kunnen laten staan.

Als je gebruik maakt van de autofocus dan zie je door de zoeker een aantal puntjes: de scherpstelpunten. Afhankelijk van je type en merk camera kan dat aantal puntjes variëren van 1 tot wel enkele tientallen.

scherpstelpunten

Als je de ontspanknop half indrukt, licht het meest actieve scherpstelpunt in je zoeker op. Dit zal vaak het middelste punt zijn, dit is het meest gevoelige scherpstelpunt. Zit je onderwerp wat je wilt fotograferen ook in het midden, dan stelt je camera met het middelste scherpstelpunt scherp op je onderwerp.
Maar wat nu, als je onderwerp zich niet in het midden van je zoeker bevindt, omdat je dat in je compositie mooier vindt?
Dan heb je 2 mogelijkheden:

  • je kunt, m.b.v. de cursor achter op je camera, één van de andere scherpstelpunten actief maken die wel over je onderwerp heen valt. (lees hiervoor even de gebruikershandleiding van je camera).
  • je laat wel het middelste scherpstelpunt actief. Je beweegt je camera om het middelste scherpstelpunt op je onderwerp te richten, drukt de ontspanknop half in om scherp te stellen, houdt de ontspanknop half ingedrukt terwijl je de camera weer beweegt naar de oorspronkelijke positie en drukt af.

Je kunt in het menu van je camera ook nog kiezen voor verschillende standen van je autofocus op je onderwerp.

  • AF-S (bij Nikon) of One Shot (bij Canon): dit is de enkelvoudige autofocus voor een stilstaand onderwerp. Door de ontspanknop half in te drukken, stelt de camera  eenmalig scherp en blijft hij op dit punt scherp gesteld, ook als het onderwerp beweegt. De camera onthoudt waarop je hebt scherpgesteld, zolang je de knop half ingedrukt houdt.
  • AF-C (bij Nikon) of Al Servo (bij Canon): Continue scherpstelling. Als je volgt met je camera, blijft de camera de scherpstelling aanpassen op hetgeen je in het midden houdt. De knop moet je wel half ingedrukt houden. Je beweegt dan zelf mee.
  • AF-A (bij Nikon) of Al Focus (bij Canon): De camera kiest zelf welke van bovenstaande AF standen op dat moment van toepassing is. Bij het half indrukken van de ontspanknop kiest de camera eerst voor de enkelvoudige autofocus als het onderwerp nog stilstaat, hij gaat over op continue autofocus zodra het onderwerp in beweging komt en schakelt weer terug naar de enkelvoudige autofocus als het onderwerp weer tot stilstand komt. Deze stand is geschikt bij kinderen en dieren, als zij eerst stilzitten en dan ineens in beweging komen.

camera autofocus standen

Ik denk dat je weer genoeg hebt om over na te denken en te oefenen. Voor diegenen die nog een extra uitdaging willen leg ik hieronder nog iets over lenzen uit.
Heb je echter genoeg aan bovenstaande dan kan je het hier ook bij laten. Onderstaande is alleen een extraatje. Of je leest onderstaande nog door en neemt het voorlopig nog even voor kennisgeving aan.

Lenzen
Welke lenzen bestaan er allemaal?
In de opdracht bij deze les heb ik verteld dat de scherptediepte ook nog kleiner wordt als je inzoomt.
Daarvoor heb je dan wel een zoomlens nodig, met een vaste lens kan je namelijk niet in- en uitzoomen. Dit noemen we een lens met een vast brandpunt, ook wel prime lens genoemd.
Een veel voorkomende prime lens is de 50 mm lens, vaak gebruikt (ook door mij) voor portretten. Gebruik je een zoomlens bij portretten dan kan dat leiden tot vertekening in het gezicht.
Een macro lens is ook zo’n lens met een vast brandpunt, de 90 of 105 mm. Je kunt ook een telelens hebben met een vast brandpunt, bijv. 200 mm.
Naast lenzen met een vast brandpunt hebben we lenzen die kunnen variëren in brandpuntsafstand.
We spreken van een groothoeklens bij 18 tot 35 mm. Een groothoeklens wordt vaak gebruik bij landschapsfotografie. Het effect van een groothoek is vaak wel vertekening van rechte lijnen door de lens. Dit is goed te zien als je gebouwen met een groothoek fotografeert. Gebouwen lijken dan vaak om te vallen, rechte lijnen worden schuin weergegeven. Een ander effect van een groothoeklens is, dat alles verder weg lijkt, er wordt nadruk op diepte gelegd. Alles dichtbij je lens heeft een vergrotend effect.
Kijk maar eens naar onderstaande foto.

 

vergrotende groothoek gieter

Bij een lens van 35 tot 70 mm spreken we van een normale lens. De hoek waaronder wij kijken is ong. 35 tot 50 mm.
Het tegenovergestelde van een groothoeklens is een telelens, 70 tot 300 mm (zoomlens).  Perspectief technisch gezien lijkt bij een telelens alles dichterbij en dichter op elkaar. Je moet meer afstand van je onderwerp houden om nog te kunnen scherpstellen.
Om niet steeds van lenzen te hoeven wisselen hebben veel mensen lenzen die groothoek en telelens ineen zijn en variëren van bijv. 18 tot 300 mm. Kwalitatief gezien zijn deze lenzen minder scherp dan een prime lens.

extra opdracht:
Maak een aantal foto’s op 18 mm met een onderwerp zo dichtbij mogelijk waardoor er een vergrotend effect ontstaat. (zie ook de foto van de gieter).

Succes weer met de opdrachten en tot volgende week weer bij stap 5!

 

Geen opmerkingen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.